een ruimte voor alle religies

Haar droom om architect te worden ging altijd hand in hand met de droom om een ruimte te ontwerpen waarin de vijf grootste religies van ons land - dwars tegen de tijdgeest in - samen ondergebracht zouden kunnen worden. Die twee dromen kwamen begin dit jaar uit toen Lonnie Koken (37) afstudeerde op het project 'het interculturele huis, eenheid in diversiteit' aan de Academie voor Bouwkunst in Maastricht.

Door Johan van de Beek

DE ARCHITECT Lonnie Koken (37) groeide op in Treebeek. Een katholieke opvoeding in wat je zou kunnen omschrijven als het staartje van het rijke roomsche leven. Zo’n vijftien jaar geleden begon ze de studie architectuur in Maastricht aan de Academie voor Bouwkunst. Na een jaar stopte ze daarmee en ging ze werken voor architectenbureaus. Totdat ze, 3,5 jaar geleden, dacht: als ik nog architect wil worden, dan moet ik het nu doen. Ze pakte de studie weer op en studeerde begin 2013 af op een project dat door haar mentoren aanvankelijk als een mission impossible werd gezien: een gebedshuis waarin de vijf grootste religies van ons land - het christelijke geloof, de islam, het joodse geloof, het hindoeïsme en het boeddhisme – samen zouden worden gebracht.

DE DROOM Koken was altijd al gefascineerd door sacrale gebouwen met hun monumentale ruimtes en lichtinval. Licht is alles. Zonder licht geen leven, zonder licht geen architectuur. Gekoppeld aan de interesse voor andere culturen kreeg het idee van een ‘intercultureel huis’ langzaam maar zeker gestalte. Dat dit gebeurde in een tijd waarin, zo zegt ze, het debat in Nederland al een paar jaar wordt gedomineerd door de vraag of de multiculturele samenleving wel of niet functioneert, was geen hinderpaal. „Ik heb de indruk dat de verschillende groepen in onze samenleving op dit moment bezig zijn uit elkaar te waaien. Iedereen zit op zijn eigen eiland en men doet weinig moeite de ander te bezoeken. Wat ik met het project wilde doen is als het ware een knoop maken tussen die verschillende strengen, waardoor ontmoeting kan plaatsvinden. We zullen het, denk ik, met elkaar moeten doen. Mijn insteek is: je kunt dat beter doen door open te staan voor elkaar en te leren, dan alleen maar door verschillen te benadrukken.

DE WEG Ze realiseerde zich dat er binnen de vijf grote religies in ons land weer allerlei stromingen zijn, maar daar wilde ze zich niet op richten. Ze wilde – en dat is een rode draad door het hele project – reduceren tot een minimum, tot de essentie. Voordat ze ook maar een streep op papier zette, deed ze een jaar lang studie naar de verschillende religies. Niet naar de verschillen maar naar de overeenkomsten. Ze zocht naar het begin, naar de oerkerk, de oertempel van de Abrahamitische lijn (christenen, joden en islamieten) en de Indiase lijn (hindoeïsme en boeddhisme). Velen drinken uit dezelfde bron: Abraham is de aartsvader van de grote monotheïstische religies en Boeddha was een Hindoe. Koken bezocht gebedshuizen in Nederland, Duitsland, Zwitserland en Frankrijk. Ze sprak met moslims, christenen, joden, boeddhisten en hindoes. Haar idee werd nergens weggelachen, niemand zei ‘jij bent gek’. Dat was een belangrijke drijfveer voor haar: de groeiende overtuiging dat ze met iets bezig was dat – ooit - realiteit zou kunnen worden. Daarvoor moest ze soms ook pittige gesprekken voeren met haar mentoren: een jonge Belgische architect, een gearriveerde Duitse architect en een Nederlandse architectuurhistoricus. Het thema was beladen en utopisch tegelijk. En ze moest scepsis overwinnen. En overtuigen. Wat ook lukte.

DE PLEK Ze worden soms het achtste wereldwonder genoemd: de Ethiopische rotskerken van Lalibela. Een reeks monolithische kerken, geheel uit rotsen gehouwen. De kerken liggen in het landschap verzonken, letterlijk in een groeve, zodat je ze pas ziet als je aan de rand van de groeve staat en naar beneden kijkt. De (op het internet te vinden) fascinerende foto’s van dit complex kent Koken. Later zal ze zich realiseren dat die kerken van Lalibela een vroege inspiratie zijn geweest voor haar project. Het is vooral hun eenvoud en het gegeven dat deze gebouwen verweven zijn met het landschap. Ze rijzen, in tegenstelling tot onze kathedralen, niet op vanaf de grond. Ze moeten het niet hebben van de buitenkant, van pracht en praal of naar de hemel reikende minaretten, maar van de binnenkant, de essentie, daar waar geloof mensen met elkaar kan verbinden. Het minimum dus. Maar eerst moet ze een plek vinden. Aanvankelijk is ze ervan overtuigd dat ze het moet zoeken in de ruis van een stad. Ze heeft Den Haag op het oog. Vanwege het grote aantal allochtonen in de stad en de duidelijk afgebakende wijken. Het is een stad die, als je haar doorkruist met een tram, segregatie voelbaar maakt. Later stapt ze, uit respect voor de diepere betekenis achter religie, af van het idee van de stad en kiest ze voor een plek die weliswaar in de Randstad met zijn grote etnische diversiteit en hoge bevolkingsdichtheid ligt, maar wel midden in het zogeheten groene hart. Ze zoomt in op de landkaart. Ze trekt, heel rigoureus, een lijn van Amsterdam naar Rotterdam en van Den Haag naar Utrecht. De kruising van die lijnen ligt ongeveer een half uur van het rumoer en de hectiek van de steden af. Ze zoomt verder in. Daar, in de polder bij de gemeente Bodegraven, is de plek waar ze haar speld prikt. Ze gaat erheen. Daar, waar de door sloten gevormde gridlijnen van de polder elkaar ontmoeten, construeert ze een driehoek waarin ze een cirkel plaatst. Dan begint ze pas met de uitwerking.

DE RUIMTES Hoe plaats je een gebouw in een landschap dat volledig vlak is? Met een rechte lijn als horizon. Graslanden, water, zompig. Die door sloten gevormde snedes in het landschap inspireren haar om ook het complex als een snede in het landschap te plaatsen. Echo’s van Lalibela hier, met dit verschil dat de vijf qua afmetingen identieke kubussen die samen een pentagram (regelmatige vijfhoek) vormen wel even hun koppen boven het landschap uitsteken. Stel je voor dat je met de auto vanuit de stad naar deze plek gaat. Op een kilometer of twee afstand moet je parkeren. De rest loop je. Dat is ook een vorm van ballast afgooien, zodat je je beter kunt concentreren op waar je voor komt, de binnenkant. Via de buitencirkel daal je af in het landschap om uiteindelijk, via een binnenring, op een lager gelegen ontmoetingsplein uit te komen. Van daaruit kun je een weg volgen naar de gebedsruimtes, allen sereen wit en alleen verschillend van elkaar door de manier waarop het licht door de glazen daken naar binnen valt. Eenheid door diversiteit. Lumen of the soul, het licht van de ziel.
 
Zou het niet mooi zijn, zegt ze, als iemand dit zou bouwen?
 
Publicatie De Limburger, 08 juni 2013
Verslaggever Johan van de Beek
Fotomontage © Lonnie Koken
AA3-afstudeerproject_impressie.jpgAA3-afstudeerproject_krant.jpg
AA3-afstudeerproject_krantenartikel.jpgAA3-afstudeerproject_binnenring.jpg